„Wat is het hier belachelijk lelijk. Wat een troosteloosheid. En jij bent hier opgegroeid?” Geïrriteerd kijk ik naar links. Ik zit als bijrijder in de auto van een kennis en we rijden door Zwijndrecht. Even wat ophalen bij m’n pa. In het inderdaad spuuglelijke dorp. Maar ik wil hem bijna een knal verkopen.

'‘Ik dacht iets lelijks: sommige mensen zijn eenzaam omdat het rotmensen zijn’
02:28

'De Pradajas die ik draag, heeft hem niet kunnen misleiden, ik blijf een vreemde eend in de bijt'
02:13

‘Waar ik bij eerdere situationships vaak onzeker achterbleef, gaf híj me iets waardevols’
01:34