‘Ze belt me vroeg in de ochtend en begint meteen te foeteren. „Jij hebt mijn sleutel, meisje.” Geen hallo. Geen goedemorgen. Alleen puur woede en wantrouwen. Terwijl zij losgaat over onbetrouwbaarheid en respect, voel ik in mijn jaszak. En ja hoor. Daar zit hij. Haar huissleutel. Per ongeluk meegenomen.’

'Hij fikste mijn lamp, we dronken thee en het was gezellig, tot we in bed lagen’
02:18

‘De hobby van mijn nieuwe overburen heeft iets heel geruststellends’
02:06

Ik wil lang blijven kijken naar de specht die op een boom inhakt, maar dat mag niet. ‘Niet lummelen’
02:26