Ik lig in de stoel van de gynaecoloog. Benen wijd, blik op het plafond. Mijn waardigheid ligt ergens bij mijn onderbroek. Naast de gynaecoloog staat een jongen die óf stagiair is óf coassistent óf ‘iemand die even meekijkt’. ‘Mag hij het even proberen?’ vraagt de gynaecoloog.

'‘Ik dacht iets lelijks: sommige mensen zijn eenzaam omdat het rotmensen zijn’
02:28

'De Pradajas die ik draag, heeft hem niet kunnen misleiden, ik blijf een vreemde eend in de bijt'
02:13

‘Waar ik bij eerdere situationships vaak onzeker achterbleef, gaf híj me iets waardevols’
01:34